Nederland telt op dit moment zo’n 28,6 gigawattpiek aan zonnepanelen. In 2050 kan dat oplopen tot 175 gigawattpiek, ruim zes keer zoveel. Die projectie komt uit nieuw onderzoek van CE Delft, uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Klimaat en Groene Groei.
Van 77 tot 175 gigawattpiek
De onderzoekers werkten drie ontwikkelpaden uit, elk met een eigen logica. Het eerste pad optimaliseert voor het stroomnet: zonnepanelen komen daar waar het net ze aankan. Het tweede pad beperkt de ruimtelijke impact en houdt zonneparken op land zo klein mogelijk. Het derde draait puur om kosten en zoekt de goedkoopste kilowatturen.
Het verschil is fors. In het zuinigste scenario groeit het totale vermogen naar 77 gigawattpiek in 2050. In het meest ambitieuze naar 175 gigawattpiek. Als tussenstap voorzien de onderzoekers in 2040 tussen de 57 en 127 gigawattpiek. Die grote bandbreedte is geen vaagheid, maar een bewuste keuze. Hoeveel zonnepanelen er nodig zijn, hangt namelijk af van factoren die nu nog onzeker zijn: hoe hard de elektriciteitsvraag groeit, hoeveel windmolens op zee er bijkomen, en of Nederland uiteindelijk kiest voor kernenergie.
Tot en met 2027 verwachten de onderzoekers overigens nog geen spectaculaire groei. De toename zit vooral in grotere dakinstallaties op bedrijfspanden.
Ruimte is niet het probleem
Wie zich afvraagt of er genoeg plek is: het potentieel in Nederland is enorm. Zelfs de conservatieve schatting, waarbij harde én zachte beperkingen zijn meegerekend, komt uit op 614 gigawattpiek. Woningdaken bieden ruimte voor 69 gigawattpiek, bedrijfsdaken voor 55 gigawattpiek en gevels voor nog eens 64 gigawattpiek. De grote bulk zit in panelen op land: 401 gigawattpiek. Zelfs het hoogste scenario van 175 gigawattpiek past daar dus makkelijk in.
Opvallend is de conclusie die CE Delft trekt over daken voor eigen gebruik. De onderzoekers noemen dat een “no-regret optie”, een keuze die in alle drie de scenario’s verstandig uitpakt. Ongeacht het pad dat Nederland kiest, ben je met panelen op je eigen dak goed uit. Ook Milieucentraal wijst erop dat eigen opwek de snelste manier blijft om je energierekening te verlagen.
Waar komen die panelen dan?
Dat hangt er helemaal van af welk scenario je volgt. Minimaliseer je het ruimtebeslag? Dan gaan de panelen naar de provincies met de meeste gebouwen: Noord-Brabant, Noord-Holland, Gelderland en Zuid-Holland. Logisch, want daar staan de meeste woningen en bedrijfspanden met bruikbare daken.
Stuur je op de laagste kosten? Dan verschuift het beeld richting dunner bevolkte regio’s, waar grote zonneparken op land goedkoper uit de grond te stampen zijn. Per opgewekte kilowattuur betaal je daar minder.
Het stroomnet als flessenhals
De grootste hobbel zit niet in de panelen zelf, maar in het net erachter. CE Delft verwacht dat netcongestie de groei van zonne-energie tussen 2030 en 2035 flink afremt. Batterijopslag en het slim afschakelen van pieken helpen, maar als Nederland serieus werk maakt van het dakpotentieel, ontkomen we niet aan forse netuitbreidingen.
Na 2035 verbetert het beeld. De vraag naar stroom stijgt door warmtepompen en elektrische auto’s, het net wordt stap voor stap verzwaard, en er is simpelweg meer ruimte om zonnestroom kwijt te kunnen. Dat maakt een versnelling richting 2050 mogelijk. Hoe snel die gaat, hangt ook af van de voortgang bij wind op zee en kernenergie. Hoe meer die bronnen leveren, hoe minder zonnepanelen op land er nodig zijn.
Panelen op je dak blijven een slimme zet
De kern van het verhaal is eigenlijk vrij simpel. Of Nederland nu uitkomt op 77 of 175 gigawattpiek aan zonnepanelen in 2050, eigen opwek op je eigen dak is in elk scenario verstandig. Heb je nog ruimte? Dan is er weinig reden om te wachten. Let wel op de mogelijkheden voor thuisopslag, zeker nu de salderingsregeling wordt afgebouwd. Met een batterij gebruik je meer van je eigen stroom en ben je minder afhankelijk van het net.