Energiearmoede bij Nederlandse huishoudens bleef in 2025 stabiel op 6 procent, blijkt uit een nieuwe schatting van TNO en CBS die deze week werd gepubliceerd. Het gaat om ruim 503.000 gezinnen die structureel moeite hebben met hun energierekening. Achter dat gelijkblijvende percentage schuilt een zorgelijker beeld: de betaalmoeilijkheden zijn in het afgelopen jaar juist toegenomen.

Energiearmoede huishoudens: wat de cijfers zeggen
TNO en CBS brachten de energiearmoedecijfers voor 2025 in kaart op basis van inkomens- en energieprijsdata. Met ruim een half miljoen gezinnen in energiearmoede ligt dit niveau dicht bij de jaren 2020 en 2021, vóór de energiecrisis. Tijdens de piek van die crisis, in 2022 en 2023, lag het percentage fors hoger. Op het eerste gezicht lijkt de situatie dus genormaliseerd.
Energiearmoede wordt vastgesteld op basis van de verhouding tussen inkomen en energiekosten. Wie structureel een onevenredig groot deel van het netto-inkomen kwijt is aan gas en stroom, telt mee in deze definitie. Het gaat niet uitsluitend om mensen met een uitkering: ook werkenden met een laag inkomen, of bewoners van slecht geïsoleerde woningen, kunnen in deze groep terechtkomen. Energeia publiceerde donderdag een uitgebreide analyse van het onderzoek.
Betaalproblemen groeien achter stabiel getal
Dat het percentage stabiel bleef, betekent niet dat alles goed gaat. De NOS meldde op basis van hetzelfde onderzoek dat de betaalmoeilijkheden in 2025 zijn gegroeid. Gezinnen die al krap zaten, hebben het er niet makkelijker op gekregen. Gestegen nettarieven, hogere vaste leveringskosten en het verdwijnen van tijdelijke noodmaatregelen die tijdens de energiecrisis waren ingesteld, spelen daarin een rol.
Uit een berekening van Change Inc blijkt dat het structureel aanpakken van energiearmoede in Nederland 250 miljoen euro per jaar vraagt. Die steun zou gericht moeten zijn op twee concrete zaken: het isoleren van woningen van lage-inkomensgroepen en het toegankelijker maken van duurzame verwarmingsopties voor die groep.
Slechte isolatie als hardnekkig probleem
Een groot deel van de gezinnen in energiearmoede woont in een woning van vóór 1980. Die woningen zijn van nature slecht geïsoleerd: nauwelijks spouwmuurisolatie, enkel glas en tochtige kozijnen. Dat betekent dat de verwarming harder werkt dan nodig, met hoge stookkosten als gevolg. Zelfs als je de thermostaat naar beneden draait, blijven de kosten oplopen doordat de warmte snel wegtrekt.
Particuliere huurwoningen en oudere koopwoningen zijn het meest kwetsbaar. Juist voor die groep zijn de drempels hoog: geen spaargeld voor een investering vooraf, beperkte toegang tot gunstige leningen en een subsidiestelsel dat in de praktijk te veel stappen vraagt. Als je nu een installateur wil inschakelen voor isolatiewerk, wacht je al snel meerdere maanden voordat er iemand aan de deur staat.
Beleid bereikt laagste inkomens onvoldoende
Het onderzoek maakt duidelijk dat generiek energiebeleid onvoldoende werkt voor de lagere inkomensgroepen. Subsidies zijn op papier beschikbaar voor iedereen, maar bereiken in de praktijk vooral mensen met genoeg eigen vermogen om de investering voor te schieten. Gerichte maatregelen, zoals leningen zonder eigen bijdrage of directe uitvoering van isolatiewerk via gemeenten, worden al jaren bepleit. De urgentie is groter dan het tempo van de uitrol.
Wat betekent dit voor jou?
Maak je je zorgen over je energierekening en woon je in een oudere woning? Check dan of je gemeente of provincie een aanvullende regeling heeft voor isolatiesubsidie bovenop de landelijke potten. Veel lokale overheden hebben specifieke regelingen voor lage inkomens. De ISDE-subsidie voor warmtepompen is nog tot eind 2026 op het huidige niveau beschikbaar. Daarna gaat die fors naar beneden. Bij je energieleverancier kun je nagaan of je recht hebt op een betalingsregeling of een sociaal tarief als de rekening tijdelijk te hoog wordt.